Teloorgang

carnica

Apis mellifera carnica (© Janja Krajnc)

Enkele ondersoorten meer zuidelijk in Europa werden al langer door imkers geselecteerd waarbij onder meer honingproductie en zachtaardigheid belangrijke criteria waren. Zo beschikte men rond 1850 reeds over de eerste geselecteerde Carnica-afstammingen in de Balkan en Ligustica-afstammingen in Italië.

ligustica

Apis mellifera ligustica (© Kathy Keatley Garve

 

 

 

In onze contreien was er daarentegen geen sprake van selectie. De hogere honingproductie van andere ondersoorten bracht imkers in noordelijk Europa aan het experimenteren. Zo kwamen zij op het idee om geselecteerde Carnica- en Ligusticabijen (beiden ondersoorten uit Groep C) te importeren om dezen te kruisen met hun inheemse Zwarte bijen opdat hun nieuwe bijen van beide ouders de beste eigenschappen zouden erven. Deze import startte in de tweede helft van de 19de eeuw en steeg exponentieel tijdens het interbellum. De kruisingen van ongeselecteerde Zwarte bijen met geselecteerde Carnica- en/of Ligusticabijen waren echter allesbehalve super, zij waren – zeker vanaf de F2-generatie – namelijk agressief en zwermlustig. Dit leidde opnieuw tot massale importen van uitheemse honingbijen na WOII.

Vandaag de dag wordt er in Noord(west)-Europa voornamelijk met de Carnica geïmkerd, zo ook in Vlaanderen. Dat heeft een historische reden welke teruggaat tot het Nazitijdperk. In het huidige Duitsland had men oorspronkelijk enkel de Zwarte bij, maar met de opkomst van de NSDAP kwam daar drastische verandering in. De annexatie van Oostenrijk in 1938 was het keerpunt, hiermee werd plots immers de Carnica ook als “inheems in het Rijk” bestempeld daar Zuid-Oostenrijk tot de natuurlijke habitat van deze ondersoort behoort. Omdat de Carnica in die regio al langer geselecteerd werd, scheen zij in de ogen van sommigen ‘die Überbiene’ te zijn. Niet veel later werd zij door ‘Reichskörmeister’ Gottfried Goetze, een hooggeplaatst NSDAP’er en toenmalig verantwoordelijke van het bijeninstituut te Mayen, uitgeroepen tot ‘die Reichsbiene’. Elke imker in het Nazirijk werd “gemotiveerd” om met Carnicabijen aan de slag te gaan en zienderogen verdwenen de Zwarte bijen.

buckfast

De Buckfastbij (© Roger De Vos)

Na WOII zat men in Vlaanderen nog steeds met zogenaamde steekduivels welke afstamden van kruisingen tussen Ligustica-, Carnica- en Zwarte bijen. Men wilde daarvan af en koos voor een eenvoudige oplossing: men ging massaal Carnica’s vanuit West-Duitsland naar Vlaanderen halen; die waren immers reeds sterk geselecteerd én West-Duitsland was (is) vlakbij. Sedert de jaren ’70 kwam er nog de Buckfast bij, dit is een geselecteerde hybride ontstaan door het doelgericht kruisen van verscheidene ondersoorten. Doch het is vooral de Carnica die door velen gehouden wordt. Dergelijke massa-importen volgden ook elders in noordelijk Europa en deed de resterende Zwarte bijen geen goed. Ook nu nog worden er jaarlijks vele buitenlandse Carnica- en Buckfastkoninginnen door Vlaamse imkers geïmporteerd (lees bv. hier of zie deze video vanaf 01:10), het gras schijnt immers steeds groener bij de buren …

Vandaag de dag rest er nog slechts een handvol locaties (zie onderstaande kaart) waar nog een vrij noemenswaardige – lees voldoende groot en gespaard van genetische introgressie – populatie Zwarte bijen voorkomt, dat maakt dat zij eigenlijk een zeer sterk bedreigd beestje is. Op die locaties zijn er gelukkig imkers zich bewust geworden van de bijzonder waardevolle ecologische schat in hun regio. Een van die regio’s is Chimay – Valenciennes aan de Belgisch – Franse grens. De laatste jaren is er onder de Noord-Europese imkers weer meer interesse voor hun autochtone honingbij en willen ze zich inzetten voor de conservatie van dit onschatbare ecologisch erfgoed; al is dat vaak allesbehalve vanzelfsprekend (zie Conservatie).

De natuurlijke habitats van de verschillende Europese ondersoorten, zwarte sterretjes tonen resterende populaties van de Zwarte bij (auteur: Karl Udo Gerth; bewerkt door Dylan Elen)