Teloorgang

De teloorgang van onze inheemse Zwarte bij heeft natuurlijk niet van de ene dag op de andere plaats gevonden. Hier gingen verschillende decennia en diverse historische figuren overheen. Hieronder kan u daar stapsgewijs meer over lezen.

Ligustica verovert Duitstalig Europa
Om te begrijpen hoe het komt dat de Zwarte bij vandaag de dag zo zeldzaam is, is het van belang om even terug te blikken op het verleden. De start van haar teloorgang vangt immers aan halverwege de 19de eeuw. In 1847 startte Johannes Dzierzon in Duitstalig Europa namelijk met het promoten van zachtaardige en raatvaste bijenrassen uit Zuid-Europa. Raatvastheid was, net als zwermtraagheid, immers een belangrijke eigenschap geworden door de omschakeling van korf- naar kastimkeren; de Zwarte bij was door de korfteelt daarentegen op het tegenovergestelde geselecteerd (Elshout, 2006). Dzierzon promootte vooral Ligustica (Apis mellifera ligustica) waar hij zelf ondertussen veel ervaring mee opgebouwd had. Als gevolg van zijn promotiecampagne werden er zo in het toenmalige Duitse Keizerrijk vele Ligustica-volken uit Italië, maar eveneens Carnica-volken (Apis mellifera carnica) uit Oostenrijk en Slovenië (beiden op dat moment onderdeel van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk) geïmporteerd. De uitwerking hiervan op de Duitse imkerij was negatief omdat de verbastering met de inheemse Zwarte bij na enkele generaties een verhoogde agressiviteit en zwermneiging veroorzaakte. Men vatte uiteindelijk de idee op om terug over te stappen naar de eigen Zwarte bij en deze te gaan selecteren op gunstige eigenschappen voor de imkerij. Zover is het echter nooit gekomen, want einde jaren ‘20 startte een nieuwe importgolf van Carnica-koninginnen. (Bienefeld, 2016)

Apis mellifera ligustica (© Martin Gabel)

Carnica neemt het roer over
Ditmaal betrof het Carnica-koninginnen van enkele Oostenrijkse imkers die zich intussen sterk hadden gespecialiseerd in de selectieteelt, zoals Hans Peschetz en Guido Sklenar. In tegenstelling tot de Sloveense Carnica’s waren dezen ook sterk geselecteerd op zwermtraagheid. Duizenden Carnica-koninginnen werden vanuit Oostenrijk naar het Derde Rijk verzonden. Echter, pas in 1937 werd er in het Derde Rijk aangevat met selectieteelt. Hierbij werd door het toenmalige naziregime enkel de inheemse Zwarte bij toegelaten. Het importeren van Carnica werd dan ook verboden. Maar met de Anschluss van Oostenrijk in 1938 verviel dat verbod en werd de Carnica verkozen boven de Zwarte bij omdat deze reeds veel sterker geselecteerd was (Friedrich & Fehling, 2000a). De Carnica werd zelfs erkend als “Die Reichsbiene” door rijkskeurmeester Gottfried Goetze, een belangrijk NSDAP’er en leider van de bijeninstituten te Bonn en Mayen (Imkerpedia, 2011). Tot in de jaren ’50 werd in Duitsland in beperkte mate door prof. dr. Enoch Zander nog selectieteelt bij de Zwarte bij uitgevoerd, maar de populariteit van de Carnica bleek te sterk (Friedrich & Fehling, 2000b). De bijeninstituten die tijdens WOII nog niet overgeschakeld waren op Carnica deden dat na de oorlog alsnog (Elshout, 2006).

Apis mellifera carnica (© Martin Gabel)

De Lage Landen

In Nederland werden wellicht voor het eerst uitheemse honingbijen geïmporteerd in de jaren 20 van de vorige eeuw. Het betrof de Kaukasische honingbij (Apis mellifera caucasica) die ten volle gepromoot werd door een zekere meneer Romein uit Bilthoven. Het succes duurde echter niet lang, en in de jaren ’30 besloten vele Nederlandse imkers de Italiaanse honingbij uit te testen nadat er goede commentaren kwamen uit de V.S. over deze ondersoort. Maar haar winterhardheid stelde eigenlijk ernstig teleur. Na de 2de Wereldoorlog was het dan de beurt aan de Carnica, vrij snel na de eerste importen van deze ondersoort werd er onder leiding van een zekere meneer Geskes een bevruchtingsstation voor Carnica opgezet op het Waddeneiland Schiermonnikoog. Door de komst van de Varroa-mijt en het heengaan van de heer Geskes stagneerde de interesse in Carnica en daalde deze zelfs. (Speelziek, 2004).

In Vlaanderen verliep het een beetje anders. In de jaren ’40 – ’50 werden er in groten getale Ligustica-koninginnen geïmporteerd uit Italië. Net zoals in het Duitse Rijk enkele decennia eerder, ontstonden er nu ook problemen als verhoogde agressiviteit vanaf de F2-hybride met de lokale Zwarte bij (Laurent Ignoul, voorzitter IFANG, pers. com. 2017). De Zwarte bij geraakte volledig gehybridiseerd, de Ligustica bleek toch niet ideaal te zijn en de imkers deden dan maar verder met de bastaarden die ze hadden, ook wel “rosse bijen” genoemd. Pas in de jaren ’70 kwam daar verandering in. Op 30 november 1974 werd door de Vlaamse selectiewerkgroep namelijk besloten om reeds sterk geselecteerde Carnica’s uit West-Duitsland te importeren en de genetica hiervan via het zelf ontwikkelde overlarfproject – in Nederland doppenproject genoemd – over Vlaanderen te verspreiden. In de jaren ’80 – ’90 kreeg deze strategie navolging in Nederland (Elshout, 2006), al zal men op vele plaatsen in Nederland gewoon aan de slag blijven met nazaten van de initiële Zwarte bij x Ligustica bastaarden.

Vanaf de jaren ’80 begint in de Lage Landen bovendien ook echt interesse te ontstaan in de Buckfastbij, een doelgericht gekweekte hybride van initieel de Zwarte bij, Ligustica, Anatolica (Apis mellifera anatolica, uit Turkije), Cecropia (Apis mellifera cecropia, uit Zuid-Griekenland), Sahariensis (Apis mellifera sahariensis, uit de Sahara-oasen) en Monticula (Apis mellifera monticula, uit Oost-Afrika). De Buckfastbij werd in de periode van 1915 tot de jaren ‘80 tot stand gebracht door Broeder Adam in de Engelse Abdij van Buckfast. Tot op heden worden er geregeld zuivere ondersoorten weer ingekruist in de Buckfast, dit artificiële bijenras beschikt dus zelf niet over een consistente genenpoel (Imkerpedia, 2015).

buckfast

De Buckfastbij (© Roger De Vos)

Ook nu nog worden er jaarlijks vele buitenlandse Carnica- en Buckfastkoninginnen door Vlaamse en Nederlandse imkers geïmporteerd (lees bv. hier of zie deze video vanaf 01:10), het gras schijnt blijkbaar nog steeds groener bij de buren …

Zwarte bij Europawijd tanende, maar ...
Door het binnenhalen van Ligustica, Carnica en Buckfastbijen, wat eveneens gebeurd is in Wallonië, is de inheemse Zwarte bij gedurende de afgelopen 80 jaar zo goed als verdwenen in België en Nederland. Dergelijke massa-importen gebeurden ook elders in noordelijk Europa en deed de resterende populaties Zwarte bijen geen goed (Ruottinen et al., 2014). Ook nu nog worden er jaarlijks vele buitenlandse Carnica- en Buckfastkoninginnen door Belgische en Nederlandse imkers geïmporteerd, het gras schijnt voor velen blijkbaar nog steeds groener bij de buren … Vandaag de dag rest er nog slechts een handvol locaties (zie onderstaande kaart) waar nog een vrij noemenswaardige – lees voldoende groot en gespaard van genetische pollutie – populatie Zwarte bijen voorkomt, dat maakt dat zij eigenlijk een zeer sterk bedreigd beestje is. Het enige overgebleven refugium in België is Chimay, in Nederland is dat Texel; al staan ook dezen onder druk (Garnery et al., 1998 & Pinto et al., 2014). In Chimay betreft het immers een landbevruchtingsstation en op Texel wordt het importverbod – dat van kracht is sinds de jaren ’70 – niet altijd strikt nageleefd; los van de invloed van Carnica-darren op Vlieland. Er is dus zeker nog werk aan de winkel om te voorkomen dat onze Zwarte bij van het uitsterven behoed wordt. De laatste jaren is er onder de Noord-Europese imkers gelukkig weer meer interesse voor hun autochtone honingbij en willen steeds meer imkers zich inzetten voor de conservatie van dit onschatbare ecologisch erfgoed; al is dat vaak allesbehalve vanzelfsprekend (zie Conservatie).

De natuurlijke habitats van de verschillende Europese ondersoorten, zwarte sterretjes tonen resterende populaties van de Zwarte bij (auteur: Karl Udo Gerth; bewerkt door Dylan Elen)

Referenties

BIENEFELD, K., 2016. – Die Zucht der Honigbiene; Beginn, aktueller Stand und Zukunft. https://www.apis-ev.de/die-zucht-der-honigbiene-beginn-aktueller-stand-und-zukunft.html [laatst gelezen 27.XII.2018].

ELSHOUT, P., 2006. – Apis mellifera carnica, een allochtone bij? Bijen, maandblad voor imkers, 15: 270-271. [OJS: http://edepot.wur.nl/49717]

FRIEDRICH, K.T. & FEHLING, D.H., 2000a. – Vom Ursprung der Sklenarbiene. http://www.bienenzucht.de/linie_sklenar.htm [laatst gelezen 27.XII.2018].

FRIEDRICH, K.T. & FEHLING, D.H., 2000b. – Der Stamm Nigra. http://www.bienenzucht.de/linie_nigra.htm [laatst gelezen 27.XII.2018].

GARNERY, L.; FRANCK, P.; BAUDRY, E.; VAUTRIN, D.; CORNUET, J.M. & SOLIGNAC, M., 1998. – Genetic diversity of the west European honey bee (Apis mellifera mellifera and A. m. iberica). II. Microsatellite loci. Genetics Selection Evolution, 30: S31-S47. [hal-00894232]

IMKERPEDIA, 2011. – Goetze. http://imkerpedia.nl/wiki/index.php?title=Goetze [laatst gelezen 27.XII.2018].

IMKERPEDIA, 2015. – Buckfast. http://www.imkerpedia.nl/wiki/index.php?title=Buckfast [laatst gelezen 27.XII.2018].

PINTO, M.A.; HENRIQUES, D.; CHAVEZ-GALARZA, J.; KRYGER, P.; GARNERY, L.; VAN DER ZEE, R.; DAHLE, B.; SOLAND-RECKEWEG, G.; DE LA RUA, P.; DALL’OLIO, R.; CARRECK, N.L. & JOHNSTON, J.S., 2014. – Genetic integrity of the Dark European honey bee (Apis mellifera mellifera) from protected populations: a genome-wide assessment using SNPs and mtDNA sequence data. Journal of Apicultural Research, 53(2): 269-278. [DOI 10.3896/IBRA.1.53.2.08]

RUOTTINEN, L.; BERG, T.; KANTANEN, J.; KRISTENSEN & PRAEBEL, A., 2014. – Status and Conservation of the Nordic Brown Bee: Final report. https://www.nordgen.org/wp-content/uploads/2017/03/BrownBeeReport2014NordGen.pdf [laatst gelezen 27.XII.2018].

SPEELZIEK, J.J., 2004. Werkboek Bijen Houden. (5de editie). Wageningen, Nederland: Vereniging tot Bevordering der Bijenteelt in Nederland