Oorsprong

Figuur 1: Kolonisatie Westen (© Mellifica)

Kolonisatie van het Westen (© Mellifica)

De Westerse honingbij (Apis mellifera) startte 6 miljoen jaar geleden vanuit Centraal-Azië de kolonisatie van het Midden-Oosten, Afrika en Europa. Dat gebeurde in verschillende groepen waarbij elke groep een unieke route volgde en zich achteraf volgens de wet der natuurlijke selectie zou differentiëren, hierdoor ontstonden uiteindelijk ondersoorten van de Westerse honingbij. De groep die Europa volgens de noordelijke route koloniseerde draagt vandaag de naam “Groep M” zij die Europa langs de zuidelijke kusten van de Middellandse Zee koloniseerde draagt de naam “Groep C”.
Door toedoen van ijstijden migreerde Groep M herhaaldelijk van noord naar zuid en terug. Bij de laatste ijstijd zocht een deel van Groep M heil in Zuid-Frankrijk, een ander deel trok nog wat verder zuidwaarts richting het Iberisch schiereiland (wat mogelijk was doordat de zeespiegel lager stond). Het deel in Zuid-Frankrijk evolueerde tot de ondersoort Apis mellifera mellifera oftewel Zwarte bij, het deel op het Iberisch schiereiland evolueerde tot de ondersoort Apis mellifera iberica oftewel Iberische bij.

Wilde kolonie Zwarte bijen in oud spechtennest (© Dylan Elen)

Met het einde van de laatste ijstijd (overgang Weichseliaan – Holoceen, ca. 11 000 jaar geleden) warmde het klimaat in Noord-Europa stilaan weer op met heroplevende vegetatie tot gevolg en werd dus geleidelijk aan ook weer aantrekkelijk voor bestuivers zoals honingbijen. Echter, alleen de Zwarte bij kon die kans grijpen, want alle andere ondersoorten zaten ofwel gevangen achter natuurlijke barrières (vaak bergketens: Pyreneeën, Alpen etc.) ofwel waren ze evolutief niet geschikt om noordwaarts te migreren. De Zwarte bij greep dan ook haar kans en breidde haar territorium uit, hierbij valt op dat haar migratie plusminus gelijk verliep met die van Linde (Tilia sp.) en Eik (Quercus sp.). Ergens logisch, want honingbijen konden hun territorium slechts uitbreiden bij aanwezigheid van stevige bomen waarin door andere organismen eerst nestholtes waren gecreëerd (lees ook Nestruimte). Het gebied dat zij zich uiteindelijk als habitat eigen maakte, strekt zich uit van Zuid-Frankrijk tot Scandinavië en van de Britse eilanden tot de westzijde van het Oeralgebergte, in deze zone is enkel de Zwarte bij de inheemse honingbij.

De kaart hieronder geeft de natuurlijke spreiding van de habitats van de verschillende ondersoorten weer zoals deze op natuurlijke wijze langzaam tot stand gekomen is na het einde van het Weichseliaanglaciaal. De figuur daaronder toont tot slot telkens een werkster van al die Europese ondersoorten. Voor de Kretenzische honingbij (nr. 10) werd daarbij een foto uit een museumcollectie gebruikt daar deze ondersoort sinds eind jaren ’90 als “uitgestorven” beschouwd wordt, dit wegens volledige hybridisatie met aldaar geïmporteerde uitheemse ondersoorten. Ook onze Zwarte bij lijdt zeer zwaar onder deze problematiek (zie Teloorgang).

De natuurlijke habitats van de verschillende Europese ondersoorten (auteur: Karl Udo Gerth; bewerkt door Dylan Elen)

 

 

 

Werksters van de verschillende Europese ondersoorten van de Westerse honingbij (Apis mellifera)