Nestruimte

Hoewel velen bij het zien van een honingbij vrijwel onmiddellijk aan een imker moeten denken, mag men niet vergeten dat de honingbij op zich een wild dier is. Echter, vandaag de dag leven deze wilde dieren bij ons uitsluitend in de bijenkasten van imkers en niet meer in boomholtes in de vrije natuur. Toch is deze bijenkast voor honingbijen eigenlijk niet meer of minder dan wat een een nestkast is voor wilde vogels, namelijk broedruimte.

De mens is al eeuwen geleden begonnen met het vangen van wilde bijenvolken, om deze vervolgens in allerlei kunstmatige nestruimten te steken welke het “roven” van honing vergemakkelijkten. Dit evolueerde in noordelijk Europa doorgaans van zelf uitgeholde boomstammen, naar strooien korven, tot uiteindelijk de moderne bijenkasten. En zo ook in zuidelijk Europa, waar men bijenvolken vaak onderbracht in terracotta behuizingen voordat de moderne bijenkast er zijn intrede deed.

zomerbroedstop

Een voorbeeld van moderne bijenkasten, hier het Segeberger-model (Dylan Elen)

In onze contreien kwamen de Zwarte bijen, of toch gehybridiseerde nakomelingen daarvan (zie Teloorgang), wellicht tot in de 20ste eeuw ook nog in het wild voor. Deze bijenvolken leefden dus in holle bomen (en in rotsachtige gebieden eventueel in rotsspleten). Men kon de bijenvolken toen dus opdelen in “bijenvolken van imkers” en “wilde bijenvolken”. Maar omwille van eenzelfde voortplantingsstrategie was er wel steeds interactie tussen beide groepen op genetisch niveau.

Vandaag de dag komen er bij ons geen populaties wilde bijenvolken meer voor. Deze populaties werden allereerst gedecimeerd door de overmatige houtkap in de middeleeuwen en het daaropvolgende bosbeheer. Hierdoor verdwenen vrijwel alle oerbossen en werden potentiële nestplaatsen massaal vernietigd. De genadeklap volgde echter in de jaren ’80 van de vorige eeuw door de Varroamijt (Varroa destructor). Deze ectoparasiet van ondersoorten van de Oosterse honingbij  (Apis cerana) is destijds door toedoen van de mens, onder meer in Europa aangeland en belaagt en doodt sindsdien, onrechtstreeks via virusverspreiding, alle ondersoorten van de Westerse honingbij (Apis mellifera). Imkers konden naar acariciden grijpen om zo de Varroamijt te bestrijden en hun bijenvolken te redden. Wilde bijenvolken echter kregen geen hulp en gingen ten onder, met name door de Varroamijt, maar vanzelfsprekend ook door de algemene teloorgang van de natuur.

Af en toe komt men bij ons nog wel eens een bijenvolk tegen dat in het wild leeft. Dit betreft dan bijenvolken die als zwerm ontsnapt zijn bij een imker en hun intrek genomen hebben in het wild, bijvoorbeeld in een verlaten spechtennest. Doorgaans overleven deze verwilderde bijenvolken niet lang, de Varroamijt is daarbij weer een van de voornaamste redenen. Imkers bestrijden de Varroamijt nog steeds, naast acariciden vaak ook met andere middelen en technieken, waarbij resistentie van de mijt tegen die middelen meer en meer op de loer ligt.

Toch zijn er hoopgevende berichten dat ook bijenvolken van ondersoorten van de Westerse honingbij, net zoals dat geldt voor die van de Oosterse honingbij, zouden kunnen overleven zonder Varroa-bestrijding. Mits de juiste conservatieplannen én een aangepast bosbeheer is het dus misschien wel mogelijk om binnen enkele decennia bij ons opnieuw Zwarte bijen in het wild te hebben leven. LZB beschouwt dit dan ook als een belangrijk werkpunt voor de toekomst, al willen we hier wel benadrukken dat het zomaar uitzetten van Zwarte bijen in het wild allesbehalve een goed idee is gezien onder meer het uitermate hoge risico op hybridisatie (een hybride draagt immers niets bij aan het behoud van de zuivere ondersoort zelf). 

Wilde kolonie Zwarte bijen in oud spechtennest (Dylan Elen)