Inperking bijensterfte

Inperking van de bijensterfte

De laatste jaren kan men er niet omheen, elk voorjaar opnieuw verschijnen er in talloze kranten en tijdschriften artikels over de ongewoon hoge bijensterfte. Volgens de laatste wetenschappelijke inzichten[1] is die bijensterfte het gevolg van een combinatie van factoren waaronder pesticiden, een verschraald voedselaanbod, klimaatomstandigheden, … en de Varroamijt (Varroa destructor). Deze laatste wordt doorgaans als de meest doorslaggevende factor beschouwd.

De Varroa (zie figuur) is een mijt welke afkomstig is uit Oost-Azië alwaar zij leeft als parasiet van de Aziatische of Oosterse honingbij (Apis cerana), deze laatste heeft echter niet zoveel last van haar parasiet omdat evolutie in die regio ruim de tijd gehad heeft om een evenwichtige gastheer/parasiet-relatie tussen beiden te ontwikkelen. In de jaren ’70 – ’80 is de Varroa via globalisatie en internationaal transport in Europa (en de meeste andere continenten) terechtgekomen.

varroamijt

Varroamijt op bijenpop (© WUR)

Al vrij snel werd duidelijk dat dit een groot probleem was: de Westerse honingbij (Apis mellifera) werd plots in grote mate belaagd door een parasiet waar ze nog nooit mee in contact gekomen was, ze wist niet hoe hiermee om te gaan. Bovendien bracht deze parasiet inwendig ook een heleboel vreemde virussen mee wat er geen goed aan deed. Ongeziene bijensterfte was het gevolg en al snel werden er talloze bestrijdingsmiddelen (acariciden) ingeschakeld om de bijenvolken te helpen overleven, al is dit ondertussen geen duurzame oplossing gebleken daar er op verscheidene plaatsen bij de Varroamijten reeds resistentie tegen die acariciden is vastgesteld. Bovendien hebben (binnen Europa) verschillende landen in het belang van de volksgezondheid het  gebruik van deze bestrijdingsmiddelen verboden.

De Varroamijt is nog steeds een groot probleem en de oplossing hiervoor is helaas niet zo eenduidig. Al zijn er wel hoopgevende signalen dat er in de genetica van de (ondersoorten van de) Westerse honingbij eveneens zoiets als ‘varroaresistentie’ aanwezig is en dat dit via selectie wel tot expressie gebracht zou kunnen worden.

Wat zijn nu de voordelen van de Zwarte bij in de context van bijensterfte? Wel, enerzijds worden Zwarte bijen gekenmerkt door een vroege broedstop. Dat wil zeggen dat de koningin van een Zwart bijenvolk rond eind augustus – begin september reeds stopt met het leggen van eieren. Dat is een voordeel omdat de Varroamijt zich enkel maar kan voortplanten in bijenbroed, geen eieren betekent geen broed en dus voor de Varroamijt geen mogelijkheid tot voortplanting meer. Carnica- en Buckfastvolken hebben daarentegen vaak nog redelijk broed aanwezig tot oktober – november en niet zelden worden er de laatste jaren Carnica- en Buckfastvolken aangetroffen welke doorheen de winter broed blijven aanzetten. Dat betekent dus dat de mijten die overblijven na de zomerbestrijding terug flink in aantal kunnen toenemen in Carnica- en Buckfastvolken met alle gevolgen van dien, dit terwijl een Zwart bijenvolk na die bestrijding dus op het gemak de wintervoorbereidingen kan treffen.

Anderzijds heeft recent wetenschappelijk onderzoek[2] door COLOSS, een internationale associatie van bijenwetenschappers waarvan het hoofdkwartier gevestigd is aan de universiteit van het Zwitserse Bern, nog een andere reden ontdekt om in de strijd tegen de bijensterfte te kiezen voor de lokaal geadapteerde honingbij (bij ons dus de Zwarte bij). Gedurende de periode 2009 – 2012 heeft COLOSS onderzoek gevoerd naar het belang van genotype-omgeving interacties op enerzijds vitaliteit en gedrag van honingbijen en anderzijds op bijensterfte. Het onderzoek werd gevoerd met 621 bijenvolken welke van 16 verschillende geografische herkomsten waren; elke herkomst  behoorde tot één van de volgende Europese ondersoorten: Carnica, Ligustica, Macedonica, Mellifera (= Zwarte bij) of Siciliana. De bijenvolken werden verdeeld over 21 locaties verspreid over 11 Europese landen. Op elke locatie werden enerzijds volken gehouden van lokale herkomst en anderzijds volken welke van minstens twee verschillende niet-lokale herkomsten waren. Op elke stand werd dus met bijen van minstens 3 verschillende herkomsten, waarvan 1 de lokale was, gewerkt. Er werd gekeken naar overleving, ontwikkeling, productiviteit, gedrag en de aanwezigheid & invloed van ziekten en ziekteverwekkers. Gedurende de onderzoeksperiode werden de bijenvolken niet behandeld tegen Varroa of ziekten. Uit het experiment bleek met hoge significantie dat bijenvolken van lokale herkomst gemiddeld 80 dagen langer overleefden dan bijenvolken van niet-lokale herkomst. De onderzoekers besluiten daaruit dat imkers hun lokale bijen opnieuw zouden moeten leren waarderen en dat het hoog tijd is dat er werk gemaakt wordt van de conservatie van de verscheidene Europese ondersoorten, iets waaraan ondertussen gewerkt wordt binnen het SMARTBEES project.


[1] Presentatie van Dr. Lina De Smet, onderzoekster aan Honeybee Valley (UGent), op het symposium “Wetenschap voor Imkers” (24/10/2015)

[2] BUCHLER, R. ET AL. 2014. The influence of genetic origin and its interaction with environmental effects on the survival of Apis Mellifera L. colonies in Europe. Journal of Apicultural Research, Vol. 53:2, pp. 205-214