Bescherming biodiversiteit

Bescherming van de biodiversiteit

De Conferentie van de Verenigde Naties over milieu en natuurontwikkeling van 1992 (Rio de Janeiro) was een grote stap voorwaarts voor het behoud van biodiversiteit en natuurbescherming dankzij de aanname van het Verdrag inzake biologische diversiteit. In 2011 verplichtte de Europese Unie zich ertoe het biodiversiteitsverlies en de achteruitgang van de ecosysteemdiensten op haar grondgebied tegen 2020 tot stilstand te brengen. In tussentijd is er al veel gebeurd waaronder ook talloze lokale initiatieven, denk bv. aan het project “Gemeenten Adopteren Limburgse Soorten” van 2005; toch is er nog steeds veel werk voor de boeg.

Wat betreft honingbijen moet gezegd dat er de laatste jaren, gezien de globale sterfte-problematiek, veel onderzoek gevoerd wordt ter bescherming van deze soort. Echter, bescherming van de soort Apis mellifera handelt niet over bescherming van de talloze ondersoorten waaronder de Zwarte bij (Apis mellifera mellifera).

Acties tot bescherming van de Zwarte bij zullen nochtans niet enkel ten voordele van de Zwarte bij zelf zijn. Immers, de Zwarte bij is, zoals alle honingbijen, in haar foerageergedrag een generalist: zij gaat met andere woorden een grote variatie aan plantensoorten bezoeken wanneer zij voedsel gaat verzamelen. Dat impliceert dat zij voor veel plantensoorten de bestuiving (en dus vruchtzetting en voortplanting) verzorgt. Hoewel alle honingbijen generalisten zijn, is er toch een interessant onderscheid tussen de Zwarte bij en de anderen: zo zijn er aanwijzingen dat Zwarte bijen een groter palet aan inheemse plantensoorten bezoeken dan Carnica- en Buckfastbijen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de Zwarte bij via evolutie beter afgestemd is op onze inheemse planten(gemeenschappen); op dezelfde wijze zou de Carnica dan een groter palet aan inheemse plantensoorten bezoeken in de Balkanregio welk haar natuurlijke leefgebied is.

Een vraag die daarbij rijst is of de Zwarte bij dan geen ernstige concurrentie veroorzaakt voor solitaire bijen. Het antwoord op deze vraag is moeilijk te geven omdat er nog veel onduidelijkheid bestaat over de concurrentie tussen honingbijen en solitaire bijen; al staan honingbijen, doordat zij sinds de komst van de Aziatische parasiet Varroa destructor voorlopig noodgedwongen door de mens moeten ondersteund worden, natuurlijk wel een streepje voor in het hedendaagse concurrentieverhaal en daarom is het belangrijk dat hier door imkers rekening mee gehouden wordt. Zo kan een imker met veel bijenvolken deze volken beter in kleinere groepjes verdelen over verscheidene locaties in plaats van ze allemaal op dezelfde locatie houden. Interessant is wel dat er aanwijzingen zijn dat de Zwarte bij minder zware concurrentie biedt aan solitaire bijen in vergelijking met Carnica- of Buckfastbijen, de reden hiervoor ligt in het verschillend gedrag van deze honingbijen. In vergelijking met de anderen komt de Zwarte bij in het voorjaar trager op gang en

roodgatje

Het Roodgatje, een van de ruim 350 inheemse solitaire bijen (© Jens D’Haeseleer)

houdt zij er doorheen het seizoen ook een kleiner broednest op na. Dit heeft als gevolg dat een Zwart bijenvolk een lager voedselverbruik heeft dan andere types honingbijen. Zij zal het aanwezige voedselaanbod dus ook minder intens aanspreken dan een Carnica- of Buckfastvolk, dit komt ook tot uiting in de honingopbrengst. Deze is in eerste instantie afhankelijk van de weersomstandigheden en het bloemenaanbod in de omgeving, maar ook het type honingbij speelt een rol. Zoals in de rubriek ‘Teloorgang’ wordt aangehaald werd de Zwarte bij in het verleden ingeruild voor andere honingbijen – de Ligustica en Carnica – omdat die laatsten meer honing produceerden. Honingopbrengst wordt algemeen dan ook als een belangrijke eigenschap beschouwd en daar wordt dan ook door imkers / bijeninstituten op geselecteerd. Vandaag de dag is dat nog steeds zo: Carnica- en Buckfastbijen worden zeer intens geselecteerd en zulk een bijenvolk kan op jaarbasis dan ook makkelijk 40 tot 50 kg honing produceren; de Zwarte bij wordt daarentegen (omwille van conservatiedoelstellingen) algemeen veel minder intens geselecteerd waardoor de jaarlijkse honingproductie van een Zwart bijenvolk ook merkelijk lager uitvalt (gemiddeld 20 tot 30 kg). In het geval er geïmkerd wordt met Zwarte bijen is de druk op het voedselaanbod dus kleiner wat alvast gunstig is voor solitaire bijen. Tot slot kan nog aangehaald worden dat bovengenoemde concurrentie eigenlijk niets nieuws is: in onze contreien heeft er in principe reeds duizenden jaren concurrentie opgetreden tussen Zwarte bijen en andere bestuivers zoals solitaire bijen; concurrentie tussen soorten is immers een natuurlijk proces in het evolutieprincipe.